Het verhaal van Jorge Luis Borges uit 1941 verbeeldt een bibliotheek van zeshoekige zalen, met daarin elk boek dat ooit geschreven zou kunnen worden — elke combinatie van letters, spaties en leestekens binnen een vaste lengte. Ergens in staat het ware verhaal van jouw leven, en een miljoen valse versies, niet te onderscheiden aan de kaft. De bibliotheek is oneindig, volledig, en bijna volkomen nutteloos.

Totaal geheugen, nul vindbaarheid

Borges' bibliothecarissen worden niet gek door gebrek aan informatie, maar door haar totale, ongedifferentieerde overvloed. Een collectie zonder manier om signaal van ruis te onderscheiden bevat, praktisch gezien, geen informatie — een inzicht dat informatietheoretici later zouden formaliseren, maar dat de fictie eerder bereikte. Opslag was nooit het moeilijke probleem. Vindbaarheid was, en blijft, het moeilijke probleem.

De eigen zeshoeken van het internet

Het is verleidelijk, en niet helemaal onterecht, om de Bibliotheek van Babel te lezen als een voorspelling van het internet: bijna oneindige inhoud, waarin elk specifiek waar feit technisch aanwezig is maar praktisch onvindbaar zonder werkende index. Het verschil is dat Borges' bibliotheek doelbewust geen catalogus had — het was een gedachte-experiment over betekenis zonder structuur. Het internet heeft catalogi; ze zijn alleen geoptimaliseerd voor iets anders dan jouw specifieke vraag.

Een archief zonder index is geen bron. Het is een doolhof waaruit de uitgang is verwijderd.

Elk rangschikkingsalgoritme, elke taxonomie en sitestructuur die op dit journaal besproken wordt, bestaat om te voorkomen dat onze eigen Babel zich sluit.